Samenwerken in de wijk voor (O)GGZ, gemeente Zuidplas

Aanleiding

Per 1 januari 2015 is de functie ‘begeleiding’ uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz) vervallen. Cliënten die begeleiding krijgen vanwege de Awbz moeten nu een beroep doen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) van de gemeente. Deze transitie gaat gepaard met een bezuiniging van 25%. Om de transitie goed te laten verlopen, is innovatie en samenspel tussen gemeenten, aanbieders en cliënten noodzakelijk. Om zich zo goed mogelijk op haar nieuwe taak voor te bereiden, gebruikt de gemeente Zuidplas de wijk Dorrestijn in Nieuwerkerk aan de IJssel als proeftuin. In deze wijk is een sociaal wijkteam ingericht dat probeert te voorzien in de hulpvragen van burgers en daarbij nieuwe werkwijzen uitprobeert. Uit een samenwerking tussen Kwintes en de Vierstroom, twee instellingen die thuisbegeleiding bieden, is een pilot gestart die zich specifiek richt op de OGGZ-doelgroep. In de pilot wordt geëxperimenteerd met nieuwe werkvormen en samenwerking, waarbij ‘bottom up’ nieuwe werkwijzen worden uitgeprobeert in de transitie van Awbz naar Wmo.

De pilot wil een eerste antwoord geven op de vraag hoe in de wijk met minder middelen efficiënte zorg kan worden geboden aan de doelgroep Awbz- en OGGZ-cliënten, met behoud van de kwaliteit van zorg en tevredenheid van de cliënt. De GGD Hollands Midden onderzoekt de pilot met een proces- en effectevaluatie.

Doel

Met een beter inzicht in de achtergronden van huidige en nieuwe cliënten, kunnen aanbevelingen worden gedaan aan de gemeente Zuidplas, vanuit de pilot in de wijk Dorrestein, hoe cliënten effectief geholpen kunnen worden tegen lagere kosten.

Vraagstelling

Onderzoeksvragen effectmeting:

  1. Welke veranderingen zijn opgetreden in de situatie van de cliënten gedurende de periode van start tot afsluiting van de begeleiding?
  2. Op welke domeinen (bestaansvoorwaarden, gezondheid, relaties, veiligheid) is verandering opgetreden? (meetinstrument: ZRM, zelfredzaamheidmatrix)
  3. Hoe lang en hoeveel uur per week is hulp ingezet?
  4. Hoe tevreden zijn de cliënten?
  5. Zijn er alternatieve vormen van hulp mogelijk gebleken en zo ja welke?
  6. Hoe vaak werd gespecialiseerde hulp ingeschakeld en waarom?

Onderzoeksvragen procesmeting:

  1. Hoe is samengewerkt met de verschillende ketenpartners?
  2. Is de eigen kracht van de cliënt ingezet?
  3. In welke mate is gebruik gemaakt van het netwerk van de cliënt of is het netwerk versterkt?
  4. Wat waren de succes- en faalfactoren?
  5. Zijn er nieuwe oplossingen gevonden?
  6. Had de persoonlijk begeleider voldoende bagage?

Aanpak

Het onderzoek bestaat uit 3 onderdelen:

  1. Monitoring voortgang begeleiding cliënten. Probleemgebieden worden met de Zelfredzaamheidsmatrix geïnventariseerd. Een logboek wordt voor het onderzoek bijgehouden door de persoonlijk begeleider. Bij afsluiting wordt de zelfredzaamheidsmatrix opnieuw gescoord. Tevens wordt de cliënttevredenheid bevraagd.
  2. Evaluatie bij de persoonlijk begeleiders. Wat is veranderd in de werkwijze? Wat zijn de gevolgen voor de cliënt en voor het eigen werk? Wat is de winst/verbetering, wat zijn knelpunten? Vragen over inzet eigen kracht en benutten steunsysteem cliënt. Is het mogelijk om goedkoper te werken bij de Awbz doelgroep?
  3. Focusgroep met persoonlijk begeleiders voor het formuleren van de conclusies en aanbevelingen, waarbij de resultaten uit het onderzoek zullen worden gebruikt.

Looptijd

September 2013 tot en met maart 2014.

Participanten

Vierstroom Thuisorganisaties, Gusta Kragting, voorzitter projectgroep
Kwintes Regio West, Mary Halter
GGD Hollands Midden, Marieke van Veldhuizen, onderzoeker
GGD Hollands Midden, Hanneke Tielen, epidemioloog
GGD Hollands-Midden, Paula van Ommen, beleidsmedewerker OGGZ
Gemeente Zuidplas, Renske Hoogeveen
JSO, Geeske Hoogenboezem, procesbegeleider pilotgroep
Daarnaast per casus samenwerking met het wijkteam en waar nodig met andere instellingen

Resultaten

Nieuwe werkwijze
De nieuwe werkwijze houdt in dat de zorgverlener eerst inventariseert wat de cliënt zelf kan, vervolgens kijkt welke ondersteuning de sociale omgeving, buurtvoorzieningen en vrijwilligers kunnen bieden en tenslotte welke vorm van professionele begeleiding nog noodzakelijk is. Er is een grotere nadruk op de inzet van ‘eigen kracht’. De doelstellingen van het hulpverlenersproces dienen sneller te worden gerealiseerd. De teamleden beschrijven de implementatie van de nieuwe werkwijze voornamelijk als ‘loslaten’; het durven loslaten van oude werkwijzen en van de cliënt en meer taken uit handen geven.

Toepassing instrumenten
Met behulp van de Zelfredzaamheidsmatrix is de zelfredzaamheid van cliënten in elf domeinen gekwantificeerd. In het Plan van Aanpak zijn doelstellingen geformuleerd om de zelfredzaamheid van cliënten te vergroten. Het sociale en professionele netwerk is in kaart gebracht. De cliënttevredenheidsvragenlijst geeft inzicht in hoe cliënten hun situatie en de zorg ervaren. De meerwaarde van deze instrumenten is dat het hulpverleningsproces wordt versneld. In een vroeg stadium zijn de problemen en het betrokken netwerk in beeld en bespreekbaar. De cliënt voelt zich meer serieus genomen en meer betrokken bij het zorgproces. Het geeft de hulpverlener houvast en maakt het gemakkelijker prioriteiten te stellen.

Inzet eigen kracht
De volgende stap, het ‘loslaten’ van de cliënt, waarbij een groter beroep wordt gedaan op de eigen kracht en de professionals een stapje terug moeten doen, blijkt lastiger te zijn.

Inzet cliënten
Bij de inzet van de cliënt zelf spelen meerdere factoren. Onder andere de beperkte tijd die de teamleden beschikbaar hebben en de moeite die cliënten veelal hebben met verandering. Cliënten geven aan het prettig te vinden meer betrokken te worden bij de zorg. Zij voelen zich meer serieus genomen en dit draagt bij aan hun gevoel van eigenwaarde. In hoeverre cliënten inzicht hebben in eigen zorgbehoefte/hulpvraag is volgens de teamleden de vraag.

Inzet sociale netwerk
In een vroeg stadium was het sociale netwerk in beeld door het gebruik van het Plan van Aanpak.
Het mobiliseren van het sociale netwerk wordt door meerdere factoren bemoeilijkt. De meerderheid van de cliënten heeft weerstand tegen de veranderingen. Verder speelt mee dat cliënten hun sociale omgeving niet willen belasten met hun problemen en niet willen dat anderen weten van hun problematiek. Schaamte speelt hierbij een rol. Bovendien komt het regelmatig voor dat het sociale netwerk klein of afwezig is. Het inzetten van het sociale netwerk verloopt met kleine stappen.

Voor de professionals is het zoeken naar een balans tussen het ‘loslaten’ en ondersteunen van cliënten. Zij hebben geen moeite met bedenken hoe zij anders kunnen werken, maar wel met het toepassen van de innovatieve ideeën op hun eigen cliënten. Bij het realiseren van een andere aanpak ondervinden zij last van de tijdsdruk van de pilot, belemmerende organisatiestructuren en onzekerheid over de toekomst van hun banen.

Efficiënter werken
Volgens het team kan het beperken van het aantal professionals dat wordt betrokken bij de zorg, minder dubbel werk en minder uur dat wordt ingezet, leiden tot een besparing in de toekomst. Binnen de pilot is echter geen overlap in zorgaanbod ontdekt. Er is geen beroep gedaan op een groepsaanbod. De teamleden vinden de samenwerking tijdens de teambijeenkomsten prettig. Ze hebben ervaringen uitgewisseld en van elkaar geleerd. Buiten deze bijeenkomsten hebben de teamleden niet met elkaar samengewerkt. De casuïstiek voelde niet als gedeelde verantwoordelijkheid. Of er efficiënt met externe ketenpartners is samengewerkt is niet in beeld. Bij het uit handen geven van taken aan de cliënt, het sociale netwerk of vrijwilligers maken de professionals zich zorgen over hoe de continuïteit van zorg kan worden gewaarborgd en dat dit niet ten koste zal gaan van de preventieve signalerende zorg.

Inzet vrijwilligers
Vrijwilligers die worden ingezet bij de OGGZ-doelgroep dienen volgens het team over specifieke kwaliteiten te beschikken. Daarbij is het de vraag hoe de kwaliteit kan worden gewaarborgd. Teamleden benadrukken te investeren in scholing voor vrijwilligers. Inzicht en kennis van de specifieke problematiek wordt van belang geacht, daarom de aanbeveling mogelijkheden te verkennen voor de inzet van ervaringsdeskundigen. Vrijwilligers zijn volgens hen voornamelijk geschikt om concrete deeltaken uit handen te nemen en niet de professional te vervangen.

Producten

Samenvatting

Op 1 januari 2015 verviel de functie ‘begeleiding’ uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz). Cliënten moeten vanaf volgend jaar een beroep doen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). Deze pilot is daarom uitgevoerd om te experimenteren met nieuwe werkvormen, specifiek gericht op de OGGZ-doelgroep. De toegepaste onderzoeksmethoden zijn participerende observatie, vragenlijsten, een focusgroep, een interview met de procesbegeleider en toepassing van de zelfredzaamheidmatrix en de cliënttevredenheidsvragenlijst. De pilot is geëvalueerd vanuit het perspectief van de individuele zorgverleners. De nieuwe werkwijze houdt in dat de zorgverlener eerst inventariseert wat de cliënt zelf kan, vervolgens kijkt welke ondersteuning de sociale omgeving, buurtvoorzieningen en vrijwilligers kunnen bieden en tenslotte welke vorm van professionele begeleiding nog noodzakelijk is. Er is een grotere nadruk op de inzet van ‘eigen kracht’. Volgens de professionals blijft het bieden van zorg aan deze doelgroep, hetzij door henzelf of door onbetaalde krachten, maatwerk.

AWPG NZH is awpg Lumens

 

Bekijk onze nieuwe website op awpglumens.nl

 

Logo awpg Lumens

Dit zal sluiten in 20 seconden